In gesprek met Monique Rook, directeur van het NIP, over de samenwerking tussen de LVMP en het NIP
Er is onlangs een intentieverklaring getekend tussen de LVMP en het NIP. Kunt u toelichten wat deze stap betekent?
“We gaan met een positieve intentie verkennen hoe we samen als LVMP en NIP de krachten rondom de medische psychologie kunnen bundelen om samen meer impact te maken. De kern is dat we momenteel in een ‘fuzzy’ situatie zitten. We hebben een informele samenwerkingsstructuur tussen de LVMP en de sectie medische psychologie van het NIP, maar de huidige governance van beide verenigingen staat een echte verdieping in de weg. In de intentieverklaring spreken we uit dat we serieus gaan onderzoeken of we volledig kunnen fuseren. De huidige tussenweg is op de lange termijn niet wenselijk; we moeten ofwel echt samen gaan, ofwel besluiten volledig los van elkaar verder te gaan.”
Wat zouden medisch psychologen in de praktijk merken van een intensievere samenwerking?
“Psychologen laten zich in het veld van beleid en politiek keer op keer heel erg uit elkaar spelen. Bij grote onderwerpen, zoals de beroepenstructuur bijvoorbeeld, reageren vaak allerlei losse groepen, waardoor plannen uiteindelijk niet doorgaan. Het NIP zit in de belangenbehartiging aan alle belangrijke tafels in Den Haag, ook met de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ), de UMC’s en de hele opleidingsketen. De LVMP is nu bijvoorbeeld ook niet betrokken bij de FGzPt, terwijl daar wel besluiten vallen over opleidingen die voor psychologen in het ziekenhuis cruciaal zijn. Het verenigd zijn als beroepsgroep is van belang om samen sterker op te kunnen trekken en de gevestigde naam van het NIP zouden we ook goed kunnen inzetten om de belangen voor de medische psychologie krachtiger te behartigen. Een concreet voorbeeld is het recente debat over de minister die het aantal GZ-opleidingsplekken fors wil verlagen. Vanuit het NIP hebben we dan direct contact met de NVZ en zij hebben ook onze brandbrief mee ondertekend. Dat soort contacten en invloed zouden we nog veel meer kunnen aanwenden als we ons samen versterken op het vlak van de medische psychologie. In het traject van de verkenning kijken we samen als LVMP en NIP naar waar we de belangenbehartiging samen op willen richten.”
Dus samen staan we sterk. Bestaat het risico dat de LVMP haar eigenheid en autonomie verliest binnen zo’n grote organisatie als het NIP?
“Dat sentiment begrijp ik heel goed. Je verliest misschien iets aan autonomie, maar je wint aan invloed. Het is een balans: als kleinere club kun je je eigen ding doen, maar samenbundeling levert veel meer invloed op. We hebben dit punt ook goed met elkaar in beeld in onze besprekingen. Binnen het NIP hebben we goede voorbeelden, zoals de Sectie Ouderenpsychologie, die een ruime beleidsvrijheid en eigen tijdschrift heeft maar wel profiteert van de infrastructuur van het NIP. Zij hoeven zich niet bezig te houden met de lasten van een eigen vereniging, zoals de ledenadministratie, de AVG-wetgeving, of het maken van flyers en filmpjes, want dat regelt ons bureau. Zo kunnen zij zich volledig op de inhoud focussen.
Aspecten van de LVMP die hun waarden al hebben bewezen zoals de afdelingsvisitatie of het congres, worden zonder twijfel gewoon voortgezet. Daar zal het, in tegenstelling tot jaren terug, zeker niet op stuk lopen, dat omarmen we juist als NIP. Wat de congressen betreft: het NIP heeft een eigen team dat dit kan organiseren zonder extern bureau. Hierdoor kunnen we de prijzen voor leden laag houden. We willen juist behouden wat goed is en dat versterken met de kracht van het NIP.”
Er zijn in het verleden vaker pogingen gedaan om samen te werken die niet slaagden. Wat is er nu anders?
“We hebben het nooit eerder zo grondig aangepakt. We hebben ons eerst laten begeleiden door een extern bureau en gezamenlijk als NIP en LVMP drie modellen verkend. De intentie van beide besturen is nu heel duidelijk en is bovendien getoetst bij de achterban; bij de LVMP-leden in twee algemene ledenvergaderingen en bij de Ledenraad van het NIP. We hebben nu een helder plan van aanpak om alles, ook financieel en inhoudelijk, in de diepte uit te zoeken, zoals bijvoorbeeld het aantal dubbel-leden. Dit moet leiden naar een go/no-go moment in het voorjaar van 2027.”
Is er een grotere visie achter deze eventuele fusie? Zullen andere verenigingen ook worden ondergebracht bij het NIP?
“Zoals ik eerder zei zouden psychologen zich nog beter samen moeten verenigen, daar geloof ik zeker in. Maar ik zie dit niet als een opmaat van één grote fusiegolf. De LVMP is een heel specifieke vereniging, die ook al heel lang met ons samenwerkt en de LVMP is een ‘crossover’ tussen wetenschap en beroepspositionering die zich uitsluitend op psychologen richt. Veel andere verenigingen zijn methodiekgericht (zoals de VGCT) en hebben ook veel niet-psychologen als lid.”
Nu deze intentieverklaring is getekend, waarmee zou het voor u over een aantal jaar een succesverhaal zijn?
“Een mooi toekomstbeeld zou zijn dat er dan een zeer stevige Sectie Medische Psychologie staat die de lead neemt in het werkveld en echt wat in de melk te brokkelen heeft bij richtlijnen en zorgstandaarden. En daarnaast in beleid en belangenbehartiging ten aanzien van de positie in de ziekenhuizen of beleid daaromtrent. Ik hoop überhaupt dat het voor psychologen dan weer net zo normaal is om lid te zijn van hun beroepsvereniging als dat voor artsen is. We willen de versnippering van registraties en verenigingen tegengaan en een sterke positie bieden. Als we meer leden uit de beroepsgroep verbinden, hebben we simpelweg meer impact.”
Wat wilt u de LVMP-leden nog meegeven met betrekking tot dit onderwerp?
“Ik hoop dat men ons het vertrouwen geeft om dit zorgvuldig uit te werken. Het NIP van nu is niet meer het NIP van vroeger; we zijn enorm gemoderniseerd en geprofessionaliseerd. We zijn als NIP zichtbaar en actief op de kwaliteit van de beroepsuitoefening, de belangenbehartiging en de positionering van psychologen in alle werkvelden. En daarbij hanteren we het uitgangspunt dat het meerwaarde moet hebben voor de beroepsgroep en de leden.”

