Column: Sociaal Overdraagbare Aandoening (SOA)

Ik studeerde gezondheidspsychologie in de tijd van een andere epidemie. Het was de tijd dat aids (als gevolg van een infectie met hiv) de belangrijkste doodsoorzaak was bij mannen tussen de 30 en 45 jaar oud in Amsterdam.

COVID-19 laat zich historisch vergelijken met humaan immuundeficiëntievirus (hiv), vanwege de beperking in behandelmethoden in de beginjaren van de aidsepidemie. Wereldwijd zijn er sinds het begin van die epidemie 35 miljoen mensen aan aids overleden. In de klinische praktijk zie ik helaas ook nu nog overlevenden van een aan aids gerelateerde klinische opname in de jaren ’90 die kampen met post-traumatische stressklachten en/of overlevingsschuld. Voor hen die zich tot de risicogroep rekenden had hiv een forse psychische en sociale impact. Een vergelijkbare angst (om te overlijden aan COVID-19 of forse fysieke, psychische en mentale restklachten over te houden) zien we nu ook bij de huidige risicogroepen (zoals patiënten met obesitas, longaandoeningen, hypertensie en diabetes mellitus en ouderen).

Begonnen in 1909 als ‘Centraal laboratorium ten behoeve van het Staatstoezicht’ richt het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) zich op de bestrijding van infectieziekten als cholera, tuberculose, syfilis, de spaanse griep, Q-koorts en hiv. De (sociale) psychologie krijgt hierin steeds meer een belangrijke plaats.

Tot de introductie van effectieve virusremmers (1996) was wetenschappelijk onderzoek naar hiv vooral gericht op risicogroepen en risicogedrag met het doel te komen tot risicopreventie.  Overheidsbeleid richtte zich eerst op risicogroepen, maar later volgden algemene campagnes gericht op gewenst gedrag, zoals het belang van condoomgebruik (wie herinnert zich niet de ‘Vrij veilig’-campagne?!).

Als ik dit schrijf is de eerste COVID-19 infectiegolf in Europa voorbij. Stijgende aantallen van opnames en overlijdens in het ziekenhuis en angstaanjagende berichten van zorgmedewerkers zijn in de media naar de achtergrond verschoven.

Een tweede infectiegolf lijkt, sinds de start van het opheffen van sociale restricties door de overheid, uit te blijven. Wat blijft is de ‘anderhalve-meter-maatregel’, maar ook niet meer voor iedereen en ook niet meer altijd.

Na het opheffen van de ‘intelligente lock-down’ wordt er een beroep gedaan op het ‘intelligente individu’. Met andere woorden: nu we minder begrensd worden door overheidsregels is het aan onszelf om het risico om COVID-19 op te lopen te beperken.

Net als bij andere infectieziekten zoals hiv of herpes, kun je COVID-19 oplopen in de fysieke nabijheid van de geïnfecteerde ander. Anders dan bij hiv of herpes, is er geen seksueel of fysiek contact voor nodig. Je binnen de anderhalve meter bevinden kan voldoende zijn. COVID-19 is deze zomer een SOA geworden: een Sociaal Overdraagbare Aandoening.

 

Jurgen Knobel, klinisch psycholoog OLVG Amsterdam

Secretaris LVMP