Interview met Roy Kessels, professor en klinisch neuropsycholoog voor het Centrum voor Korsakov en alcoholgerelateerde cognitieve stoornissen
Interview met Roy Kessels, professor en klinisch neuropsycholoog bij Vincent van Gogh, Topklininische GGZ voor het Centrum voor Korsakov en alcoholgerelateerde cognitieve stoornissen
1. Hoe ben je enthousiast geworden voor werken in de Topklinische GGz, voor het Centrum voor Korsakov en alcoholgerelateerde cognitieve stoornissen?
“Dit is eigenlijk op toeval gebaseerd. In het begin van mijn carrière ben ik gepromoveerd op (ruimtelijke) geheugenstoornissen waar ik voor het eerst in contact kwam met deze kliniek binnen Vincent van Gogh. Dit onderzoek maakte dat ik steeds meer geïnteresseerd raakte in die patiëntgroepen: dementie, alcohol gerelateerde problematiek en het syndroom van Korsakov. Vervolgens heb ik mijn opleidingen tot GZ-psycholoog en Klinisch Neuropsycholoog gevolgd binnen het UMC Utrecht en ben ik daar gebleven als universitair docent aan de UU. Ik heb in mijn loopbaan lange tijd gewerkt op de Medische Psychologie van het Radboudumc. Echter, vanwege mijn lopende onderzoeken heb ik altijd een link gehouden met het Korsakovcentrum. Toen de ambitie binnen Vincent van Gogh kwam om een topklinisch centrum te worden, ben ik formeel als hoogleraar aangetrokken. In de coronatijd, toen ik veel ballen in de lucht moest houden, heb ik besloten om de overstap te maken naar de GGZ, waardoor ik de Medische Psychologie voor de patiëntenzorg heb ‘losgelaten’. De doelgroep bij het Korsakovcentrum, van problematiek in de context van zowel het geheugen als het gedrag, heeft mijn interesse.
2. Wat zijn jouw opvattingen over alcohol gebruik en de invloed op het cognitief functioneren?
“Ik krijg vaak de vraag hoe het precies zit, aangezien er in de populaire media regelmatig uitspraken worden gedaan over alcohol en de hersenen, zoals “1 glaasje wijn is gezond” of “binge-drinken zorgt voor een IQ-daling van 10 punten”. Artikelen schrijven hierover doe ik al jaren en recent ook in het themanummer dementie van het Tijdschrift van Neuropsychologie een artikel over ‘alcoholdementie’. Dit is een vreemde term aangezien alcohol nooit dé verklarende factor voor een dementie is. Mensen die alcohol drinken, kunnen natuurlijk wel een dementie ontwikkelen, maar dat komt dan door andere, directe en indirecte factoren. Zo wordt het syndroom van Korsakov ook niet door alcohol veroorzaakt, maar door een vitamine B1 (thiamine) tekort als gevolg van te weinig of te ongezond eten. Dit kan leiden tot een Wernicke-encefalopathie, wat onbehandeld het syndroom van Korsakov kan veroorzaken. Dit syndroom is overigens niet neurodegeneratief, zoals soms gedacht wordt, maar een type niet-aangeboren hersenletsel (NAH). De term ‘alcoholdementie’ suggereert een neurodegeneratief proces, wat doorgaans niet het geval is.
We weten dat alcohol direct de cognitieve functies verstoort en kan leiden tot verandering in de hersenen. Inmiddels is ook bekend dat wanneer mensen stoppen met alcoholgebruik, cognitieve disfuncties grotendeels of zelfs helemaal kunnen herstellen. Dit geldt ook voor de veranderingen in de hersenen: witte stof kan veranderen en myelinisatie treedt weer op. Een belangrijke boodschap, ook voor bijvoorbeeld de patiëntgroep op de geheugenpoli: “wanneer u stopt met drinken, kunnen cognitieve functies verbeteren”.
De aanhoudende cognitieve problemen die worden ervaren door mensen die alcohol drinken of hebben gedronken, kunnen vaak verklaard worden door comorbiditeiten, zoals slechte zelfzorg, vasculaire risicofactoren, polymiddelengebruik en bijvoorbeeld vallen als gevolg van overmatig alcoholgebruik.”
3. Wat zijn jouw adviezen rondom gezondheid en middelengebruik aan de patiënten en hun naasten?
“In contact met patiënten en naasten probeer ik een goede balans te behouden tussen eigen keuzevrijheid en tegelijkertijd de gezondheidseffecten van middelengebruik te bespreken. Middelengebruik is niet gezond, maar dat geldt natuurlijk ook voor te weinig bewegen of (teveel) vlees eten. Als je naar de DSM-5 kijkt moet eerst de patiënt of zijn/haar omgeving problemen ervaren omtrent het middelengebruik en moet er sprake zijn van een negatieve invloed op het functioneren, voordat je spreekt van een stoornis in het gebruik van middelen. Ik maak wel de impact van alcoholgebruik (en andere middelen) op de denkfuncties bespreekbaar. De nadruk leg ik hierbij op de mogelijkheden voor herstel bij het stoppen van alcoholgebruik: binnen een aantal weken kun je dit effect al zien. Daarnaast wil ik met mensen de functie van gebruik bespreken, komt het bijvoorbeeld voort uit eenzaamheid of gewoontedrinken? Dit is belangrijk zodat psychotherapie hier aandacht voor kan hebben. Tot slot is bekend dat bij mensen die al bekend zijn met cognitieve stoornissen, deze problemen kunnen verergeren door gebruik van alcohol. Bij de wetenschappelijke studies die hier over gaan, moet natuurlijk altijd rekening gehouden worden dat dit epidemiologische groepsstudies zijn, waarbij er vaak geen duidelijke dosis-responsrelatie gevonden wordt.”
4. Wat wil je ons medisch psychologen meegeven?
“Het belangrijkste wat mij betreft is dat we als (medisch) psychologen bewust zijn van en alert zijn op het middelengebruik bij onze patiënten. Mensen lopen er over het algemeen niet mee te koop, maar juist wanneer je ernaar vraagt kan het ook voor de patiënt inzicht gevend zijn. Mijn advies zou zijn om altijd te vragen naar middelengebruik, vraag daarbij goed door en maak het concreet: vraag ook expliciet naar sterke drank en overige middelen. Bij de ziekenhuispopulatie, zeker de ouderen, is er ook regelmatig sprake van overmatig benzodiazepinegebruik of zelfs benzodiazepineverslaving. Het is goed te weten dat deze middelen ook gemakkelijk via internet te verkrijgen zijn, dus ook wanneer het niet in de medicatielijst staat, is het belangrijk om dit gebruik uit te vragen. Als middelengebruik helemaal niet speelt, is het slechts een snelle check en kun je altijd toelichten dat dit wordt uitgevraagd vanwege de invloed op de denkfuncties.
Als patiënten gezien worden voor neuropsychologisch onderzoek, waarbij sprake is van alcoholgebruik, dan wil je weten of er sprake is van problematisch gebruik. Er is sprake van problematisch gebruik bij vrouwen die > 14 EH per week drinken, mannen die > 21 EH per week drinken of wanneer er sprake is van binge-drinken, zoals 2 flessen in het weekend. Als je het daadwerkelijk cognitief functioneren wil onderzoeken bij deze doelgroep, dan wordt de grens van 6 weken abstinentie aangehouden. Dit is gebaseerd op ‘best practice’. We zien in ons centrum maar ook in de verslavingszorg dat de grootste groep mensen binnen deze weken zowel fysiek, mentaal als cognitief opknappen.
Wees in behandelingen vooral alert op de functie van het middelengebruik, want hier moet je waarschijnlijk ook wat mee in de medisch psychologische behandeling. Recent is er een uitgebreide wetenschappelijke studie (lees hier het gepubliceerde studieprotocol) gedaan door een onderzoeksgroep in Amsterdam, o.a. over alcoholgebruik en traumabehandeling. Hieruit is gebleken dat traumabehandeling gestart kan worden ongeacht of iemand abstinent is. Voor de Medische Psychologie betekent dit dat mocht er traumabehandeling nodig zijn, het dus niet noodzakelijk is dat de patiënt volledig abstinent is. Mocht iemand gemotiveerd zijn om te stoppen met middelengebruik, ondersteun dit door te verwijzen naar een verslavingsinstelling. Dit kan klinisch, maar er zijn ook diverse ambulante mogelijkheden.”

