Veranderd gedrag bij patiënten met hersenletsel

Veranderd gedrag bij patiënten met hersenletsel

Algemene regels

Voorwaarde is een goed begrip van de cognitieve en emotionele stoornissen. Om goed te kunnen begrijpen en goed te luisteren is het volgende van belang:

Houd er in de omgang met mensen met niet-aangeboren hersenletsel altijd rekening mee dat het tempo van doen, denken en durven sterk vertraagd is.

  • neem de tijd;
  • vraag eerst aandacht door iemands naam te noemen en maak oogcontact;
  • concentreer je op de persoon en doe niet tegelijkertijd iets anders;
  • spreek in korte zinnen en geef de tijd om deze informatie te verwerken;
  • zeg of vraag een ding tegelijk.
  • herhaal de vraag of opdracht met dezelfde woorden in dezelfde omgeving;
  • controleer of de vraag of opdracht begrepen is;
  • neem pauzes tussen de activiteiten, vragen en opdrachten;
  • ga er niet vanzelfsprekend van uit dat het gedrag met iemand bespreekbaar is en dat daardoor het gedrag veranderd kan worden; dit is bij maar weinig mensen mogelijk
  • ga na wat iemand wel kan; zoek vooral naar wat er wel gezamenlijk is;
  • stimuleer of bekrachtig het positieve gedrag, bijvoorbeeld door een complimentje te geven;
  • ben je er van bewust dat het geven van kritiek voor iemand met niet-aangeboren hersenletsel erg bedreigend kan zijn; het veroorzaakt verzetsreacties en gebrek aan motivatie; bovendien biedt uitsluitend kritiek geven geen oplossing, de ander wordt dan juist aan zijn lot over gelaten;
  • gebruik geen kinderlijke taal of kinderlijke toon tegen een volwassenen met niet-aangeboren hersenletsel. Dit komt nog al eens voor en wordt uitgelokt doordat de getroffene niet begrijpt wat er gezegd wordt en/of handelingen niet goed meer uit kan voeren. Voor iemand met hersenletsel is niets zo irritant en onbegrijpelijk als een kinderlijke aanspreektoon. Eenvoudig taalgebruik is beslist niet hetzelfde als kinderlijk praten.

Hoe om te gaan met patiënten met een stoornis in de rechter hersenhelft

  • Bestempel de patiënt niet als ‘raar’, ‘gevoelloos’ of ‘bot’. Het is bijvoorbeeld onjuist een patiënt voor zijn/haar desorientatie een vermaning te geven. Anderzijds kan men ‘te veel’ rekening houden met beperkingen door de patiënt perse te overtuigen van zijn ongelijk, met vruchteloze discussies en wederzijdse irritatie als gevolg. Ook het telkens wijzen op gemaakte fouten kan erg communicatiebelemmerend werken vanwege de continue afkeuring die hiervan uitgaat.
  • Begeleiding door middel van taal is een goed hulpmiddel. Gebaren zijn verwarrend.
  • spreek de patiënt niet ongecontroleerd aan aan de aangedane zijde. Vaak wordt geadviseerd om de patiënt aan de aangedane lichaamszijde aan te spreken, met als doel deze meer in de belevingswereld van de patiënt te betrekken. Er zal dan rekening gehouden worden met minstens een voorwaarde: omdat aan deze zijde de minste zintuiglijke informatie binnenkomt, zal men telkens moeten controleren of de informatie de patiënt heeft bereikt. Deze laatste stap wordt vaak achterwege gelaten! In sommige situaties zal men de patiënt ten behoeve van een effectieve informatieoverdracht overigens juist niet via de aangedane zijde moeten benaderen.
  • verwar initiatieverlies niet met luiheid of depressiviteit. Stimuleer patiënt om activiteiten te ondernemen.
  • de patiënt wordt vaak overschat, dus pas op!
  • ga niet alleen af op informatie van de patiënt. Vergelijk de informatie met die van anderen.
  • laat u niet haasten door de patiënt. Houd vanaf het begin uw eigen tempo aan en spreek dit duidelijk met de patiënt af.

Hoe om te gaan met patiënten met een stoornis in de linkerhersenhelft

  • Blijf communiceren in korte, eenvoudige, kernachtige zinnen. Te veel taal = ruis! Gebruik gebaren, intonatie en mimiek.
  • Schreeuw niet, de patiënt is niet hardhorend.
  • praat niet kinderlijk; onderschat patiënt’s intelligentie niet;
  • controleer regelmatig het taalbegrip;
  • moedig de patiënt aan. Maak zo min mogelijk opmerkingen die vervelend of negatief kunnen overkomen, schouderklopjes kunnen ‘wonderen’ doen.

Hoe om te gaan met patiënten met een stoornis in de voorste hersenhelft

  • Neem het structureren van de dag van de patiënt over;
  • bij ontstemd emotioneel gedrag (bijvoorbeeld dwanghuilen of dwanglachen) dit doorbreken door de patiënt af te leiden, niet ingaan op het gedrag;
  • bij impulsief gedrag heeft het geen zin de patiënt uit te leggen, waarom hij zich niet zo kan gedragen. Vaak kan een non-verbale reactie in zo’n situatie beter werken.
  • door zelf rustig te blijven wordt hij ook rustiger. Raak zelf niet geirriteerd of boos want dan is de kans groot dat de ander helemaal de controle kwijt raakt en zijn boosheid escaleert tot een agressieve uitbarsting.

Hoe om te gaan met patiënten met traumatisch hersenletsel

  • Neem de tijd;
  • pas je tempo aan;
  • vertel een ding tegelijk en verander niet snel van onderwerp;
  • schrijf eventueel dingen op;
  • vermijd afleiding vanuit de omgeving;
  • heb begrip voor acceptatieproblematiek. De omgeving speelt daarbij een belangrijke rol. Zolang deze bijvoorbeeld nog irreëele verwachtingen heeft over de herstelmogelijkheden.

LITERATUUR

Eilander, H. e.a. (1998) Ze zeggen dat ik zo veranderd ben, Teleac ism. Landelijk coordinatiepunt Niet-aangeboren hersenletsel.

Lettinga, A.T. (1987) De behandeling van de volwassen hamiplegiepatiënt volgens het NDT-koncept, uitgave van Vereniging Beatrixoord.

de Moor, J.M.H. (1990) Revalidatie psychologie, uitg. Van Gorcum.

Nederlandse Hartstichting (1994) Een beroerte en dan?